Microcredentials in het mbo

 

Een leven lang ontwikkelen met microcredentials 

Een veranderende arbeidsmarkt vraagt flexibiliteit van het onderwijs. Beroepen verbreden zich of worden juist specialistischer. Werkenden zullen zich continu moet bijscholen, op- of omscholen om hun vaardigheden en kennis goed te laten aansluiten bij wat gevraagd wordt op de (regionale) arbeidsmarkt. De behoefte aan korte, flexibele, actuele en gerichte scholingsopties is groot en onderwijsinstellingen spelen daar steeds sneller en flexibeler op in. Microcredentials zijn hier een mogelijk antwoord op.

De focus voor microcredentials in het mbo ligt op Leven Lang Ontwikkelen (LLO): gericht op post-initieel onderwijs voor lerenden mét een startkwalificatie. De maatschappelijke opdracht om LLO voor iedere werkende mogelijk te maken vraagt om kleine(re) onderwijseenheden met een zelfstandige arbeidsmarktwaarde. We willen onderzoeken op welke wijze met microcredentials de mogelijkheden vergroot bij scholen om onderwijsaanbod te ontwikkelen en aan te bieden dat snel en wendbaar inspeelt op vragen uit de regio. Microcredentials bieden een mogelijkheid om leervragen te beantwoorden waarbij geen erkend diploma of mbo-certificaat voor handen is, maar de lerende en/of de arbeidsmarkt wel belang hecht aan certificering.

Microcredentials in het mbo  

In het mbo zijn er verschillende erkende waardepapieren, namelijk diploma’s, mbo-certificaten en mbo-verklaringen. Een diploma is gericht op het voltooien van een door het Ministerie van OCW vastgestelde volledige kwalificatie. Mbo-certificaten en mbo-verklaringen worden uitgegeven als er delen van een kwalificatie zijn behaald. Mbo-certificaten zijn ook landelijk vastgesteld en een mbo-verklaring wordt uitgereikt aan studenten die bij het afronden van hun opleiding niet in aanmerking komen voor een diploma of mbo-certificaat.

Daar zit nog ruimte tussen die het mbo nu niet biedt: een microcredential. Een microcredential kan worden ingezet wanneer er voor de leervraag geen ​erkend diploma of mbo-certificaat voor handen is, maar de lerende en/of de arbeidsmarkt wel​ belang hecht aan certificering.

Pilot microcredentials mbo

In nauwe samenwerking tussen de MBO Raad en Npuls start de pilot microcredentials mbo in maart 2024 en loopt in principe tot en met 31 december 2025. Uitgangspunt is dat we werken op basis van afspraken aan de voorkant: zoals borging van de kwaliteit, wijze van uitgave. Dit vergroot de uitwisselbaarheid met andere scholen en onderwijssectoren (hbo/wo) en zorgt voor het gewenste civiele effect, zowel in Nederland als in de EU. Eén standaard geeft duidelijkheid en vertrouwen. Door deze pilot ontstaat er inzicht in de mogelijke meerwaarde van microcredentials voor het mbo en komen we tot een advies voor verdere inbedding in het mbo. Dit doen we in samenwerking met het project ‘doorbouwen aan microcredentials in het hbo/wo’, dat ook onder de vlag van Npuls wordt uitgevoerd.

Deelnemende mbo-scholen

Curio, ROC Tilburg (onderdeel van onderwijsgroep Tilburg), Grafisch Lyceum Rotterdam, Yuverta, Graafschap College, ROC Gilde Opleidingen, Firda, St. Aeres Groep, Nova College, Cibap vakschool voor vormgeving, MBO Utrecht, Noorderpoort, ROC Midden Nederland, ROC Mondriaan, ROC Zadkine, ROC van Twente, ROC A12, Landstede, ROC van Amsterdam-Flevoland, Koning Willem I College, Aventus, ROC Nijmegen, Rijn IJssel, Albeda, Summa College, VISTA college, Deltion College.

 

Inhoud van de pilot

Verloop van de pilot

De eerste fase is een voorbereidingsfase en is bedoeld om zowel landelijk als binnen de instelling de pilot verder voor te bereiden, zodat deelnemende instellingen met ingang van september 2024 in staat kunnen zijn om microcredentials toe te kennen en uit te reiken. De pilot loopt in principe tot en met 31 december 2025.

Microcredentials doelgroep

De pilot richt zich in eerste instantie op microcredentials vergelijkbaar met mbo-niveau 3 en 4 en heeft als doelgroep lerenden in het kader van Leven Lang Ontwikkelen die al een startkwalificatie bezitten. Gedurende de pilot zal onderzocht worden of en op welke manier microcredentials ook bij andere doelgroepen een verrijking kunnen zijn.

Aanbod van microcredentials

Van deelnemende instellingen wordt gevraagd om onderwijs te ontwikkelen dat inhoudelijk gerelateerd is aan het onderwijs van de instelling en deze te waarderen met een microcredential. Dit kan zowel bestaand als nieuw (door) ontwikkeld onderwijs zijn. Voor beroepscolleges geldt dat microcredentials gericht zijn op en van belang zijn voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.

Voorwaarden van de pilot

Voor deelname aan de pilot zijn drie voorwaarden geformuleerd: bestuurlijk commitment, werken vanuit een gezamenlijk kwaliteitskader en kennisdeling. Voor het succes van de pilot is het van belang dat er bestuurlijk draagvlak is voor microcredentials en dat onderwijsteams en examencommissies voldoende worden gefaciliteerd gedurende de pilot. Ook het sleutelteam dient op de hoogte te zijn van deelname. Bij het inschrijven zal daarom om een akkoord vanuit het bestuur worden gevraagd. Tevens wordt gevraagd om en gerekend op een actieve rol van de instellingen ten behoeve van kennisdeling gedurende de pilot. Kennis wordt o.a. gedeeld in diverse (landelijke) kennisdelingsbijeenkomsten en evaluatieonderzoeken waar alle deelnemende instellingen in participeren.

Kwaliteitskader

Voor de start van de pilot is een kwaliteitskader opgesteld. Dit kader is gebaseerd op het kwaliteitskader dat eerder voor de pilot microcredentials HO is opgesteld en afgestemd met alle hbo- en wo-instellingen; in dit kader genieten instellingen zoveel mogelijk vrijheid. Het kwaliteitskader richt zich op de interne kwaliteitszorg en de voorwaarden voor uitgifte van microcredentials. Zo wordt ervoor gezorgd dat microcredentials uit het mbo ook (h)erkend worden in het hbo/wo en er geen twee losse systemen ontstaan.

Het kwaliteitskader:

  1. De kwaliteit van het met microcredentials gecertificeerde onderwijs wordt geborgd op basis van het Onderzoekskader Inspectie van het Onderwijs .
  2. Het CvB is bekend met en kiest bewust voor het aanbod van de microcredentials vanuit de LLO-visie van de instelling.
  3. De instelling heeft een intern kwaliteitszorg-proces ingericht voor het ontwerp, erkenning en de borging van kwaliteit van de microcredentials.
  4. Er is door de instelling een examencommissie aangewezen welke het eindniveau van microcredential-gecertificeerd onderwijs kan garanderen.
  5. Er is een vorm van onderwijsevaluatie, inspraak en mogelijkheid tot indienen klachten georganiseerd voor deelnemers van mc-gecertificeerd onderwijs.
  6. Het onderwijs dat gecertificeerd wordt met een microcredential is inhoudelijk gerelateerd aan het onderwijs van de instelling. Voor beroepscolleges geldt dat microcredentials gericht zijn op en van belang zijn voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken . Dit kan zowel bestaand als nieuw (door)ontwikkeld onderwijs zijn
  7. Duidelijk is wie de beoogde doelgroep van het onderwijs is, indien nodig wat de benodigde voorkennis van de deelnemers is, wat de eventuele toelatingsvoorwaarden zijn en hoe deze getoetst worden.
  8. Het onderwijsprogramma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende deelnemers mogelijk de beoogde leeruitkomsten te realiseren.
  9. Er wordt inzichtelijk gemaakt wat de leeruitkomsten zijn en wat het onderwijsniveau en omvang is van de microcredential. De deelnemende instellingen beschrijven dit op een eenduidige manier, in lijn met Europese afspraken (Bologna) rondom de beschrijving van leeruitkomsten en ontwikkelingen in Brussel.
  10. Instellingen erkennen in principe de (gevalideerde) leeruitkomsten van reeds en/of elders behaalde microcredentials. Of dit eventueel leidt vrijstelling blijft vallen onder het mandaat van de examencommissie of een ander daartoe door de instelling aangewezen orgaan in kader van niet-erkend onderwijs.
  11. De toetsen ondersteunen het leerproces van de deelnemer en de afsluiting is valide, betrouwbaar, voor deelnemers inzichtelijk en voldoende onafhankelijk.
  12. De richtlijn voor microcredentials is dat het gaat om onderwijseenheden die in principe niet kleiner zijn dan 240 SBU conform huidige structuur.

Evaluatie en onderzoeksvragen

De pilot zal eind 2024 tussentijds worden geëvalueerd met in het najaar van 2025 een eindevaluatie. Uit de pilot zal in ieder geval het volgende moeten gaan blijken:

  1. Wat is de meerwaarde van microcredentials voor de lerende en het verzorgingsgebied van de instelling?
  2. Hoe wordt de kwaliteit geborgd: van ontwikkeling, uitvoering tot en met afsluiting en de rol van de examencommissies?
  3. Hoe verloopt het proces van vraagarticulatie in het verzorgingsgebied van de instelling tot uitreiken van de microcredential aan de lerende?
  4. Welke relatie is er t.a.v. de landelijke kwalificatiestructuur?
  5. Hoe worden leeruitkomsten geformuleerd (definitie, wijze van beschrijven, validatie)?
  6. Welke omvang in SBU is het meest passend voor een microcredential in het mbo?

Veelgestelde vragen

Wat is een microcredential

Een van de uitgangspunten is uitwisselbaarheid tussen onderwijsniveaus. Hoe wordt dit bedoeld? De leeruitkomsten kennen toch een ander niveau (wo, hbo, mbo)? Of wordt met uitwisselbaarheid eerder horizontale uitwisselbaarheid bedoeld?

Iedere microcredential is uniek, met een herkenbare leeruitkomst en geborgd volgens een afgesproken kwaliteitskader. Door deze transparantie is uitwisselbaarheid mogelijk naar alle onderwijssectoren waarmee een microcredential vanuit het mbo voor het ho herkenbaar is en visa versa, en wellicht tot vrijstellingen kan leiden.

Waarom is het uitgangspunt een minimale omvang van 240 SBU en wordt dit niet in overleg met de markt bepaald, bijvoorbeeld in kleinere eenheden?

Omdat de leeruitkomst van een microcredential een bepaalde waarde moet hebben voor de arbeidsmarkt en iets moet voorstellen is voor de Pilot gekozen voor de minimumomvang die het mbo al veel wordt gebruikt: 240 SBU. Als toch behoefte is aan een andere minimale of maximale omvang, moet dit uit dit uit de Pilot blijken.

Wie geeft een microcredential uit?

Binnen de Pilot worden microcredentials uitgegeven door bekostigde mbo-instellingen via de dienst edubadges.

Hoe worden microcredentials bekostigd?

De microcredentials worden bekostigd door de persoon of instantie die de leervraag formuleert (eventueel met behulp van subsidie of financiële regelingen), vergelijkbaar met andere niet-bekostigde LLO-trajecten die mbo-instellingen aanbieden. Het valt niet onder het bekostigd onderwijs. Voor de Pilot wordt subsidie verleend, gericht op het opzetten van het systeem van microcredentials binnen een mbo-instelling en landelijke uitwisseling.

Kunnen de wedstijden van Skills Heroes ook worden gewaardeerd als vrijstelling voor (een deel van) een microcredential?

Dit is afhankelijk van beschrijving van de leeruitkomsten van een microcredential. Vergelijkbaar met bijvoorbeeld vrijstelling voor een deel van een kerntaak, zou deelname aan een Skills Heroes wedstrijd als bewijsstuk ingediend kunnen worden waarmee beheersing van de microcedentials wordt aangetoond.

Kwaliteitsborging

Kan een microcredential worden ontwikkeld en uitgereikt worden door een niet-bekostigde onderwijsinstelling, bedrijf en/of brancheorganisatie? Zo ja, hoe wordt dan de kwaliteit daarvan geborgd?

Dat kan, het is geen beschermde titel. Dergelijke microcredentials vallen buiten de Pilot van het mbo en buiten de scope van Npuls.

Is er een landelijke autoriteit die de kwaliteit gaat borgen?

Gedurende de Pilot zal er geen landelijke autoriteit worden ingezet om de kwaliteit te borgen. De kwaliteit wordt geborgd door de mbo-instellingen zelf, middels een door de mbo-sector onderschreven kwaliteitskader. Hoe dit kwaliteitskader definitief vorm gaat krijgen, is onderdeel van de Pilot.

Hoe sluit het toekomstige kwaliteitskader voor microcredentials in het mbo aan bij de bestaande wijze waarop binnen het mbo de kwaliteit van waardepapieren wordt geborgd?

De inzet is om dit zoveel mogelijk gelijk te trekken, zodat het voor de buitenwereld een herkenbare ‘mbo-kwaliteit’ kent. De waarde van microcredentials zal net als andere waardepapieren die een mbo-instelling uitgeeft buiten kijf staan.

Krijgt de examencommissie er een wetelijke taak bij, of kan ook een andere commissie of op een andere manier de kwaliteit worden geborgd bij afgifte van de microcredential?

Er is (nog) geen sprake van een wetelijke taak. Immers de pilot van het mbo wordt uitgevoerd in het non-formeel onderwijs dat buiten de wet- en regelgeving van OCW valt. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit, validering en uitgifte van de microcredential. De instelling kiest hiervoor zelf de inrichting, of door benuten van bestaande examencommissies, of het installeren van een nieuw orgaan. Deze verkenning is onderdeel van de Pilot.

Gaan er ook extra eisen gelden voor de ontwikkelaars, de docenten?

Nee, de inzet in de pilot is dat de eisen aan ontwikkelaars en docenten niet anders dan er nu al zijn voor het mbo.

Krijgen de scholen ook een plek waar zij eigenaar van zijn om de ontwikkelde microcredentails te beheren?

Gedurende de Pilot biedt de dienst edubadges iedere school een eigen catalogus waar microcredentials in kunnen worden geregistreerd en worden uitgegeven. Afhankelijk van de ervaringen in de Pilots voor mbo en hbo/wo wordt gekozen voor een definitief systeem, dat kan schooleigen, landelijk of Europees zijn.

Pilot microcredentials in het mbo

Waarom wordt de pilot beperkt tot LLO en ‘mensen met een startkwalificatie’?

Deze doelgroep is nu gekozen gelijk aan de doelgroep voor de Pilot uit het hbo/wo. Hiermee maken we als mbo, hbo en wo een gelijke beweging richting de arbeidsmarkt. Na de Pilot kunnen doelgroepen mogelijk worden uitgebreid.

Kan de microcredential ook worden ingezet voor doelgroepen die nog geen startkwalificatie hebben, zoals statushouders?

In deze Pilot, met de overeengekomen uitgangspunten voor nu niet.

Wordt ook gekeken naar de vraag: wat is de toegevoegde waarde van de microcredentials in het mbo? Wordt de waarde (h)erkend in de buitenwereld? Zien we een behoefte? Etc.

Het doel van microcredentials is beter aansluiten op de arbeidsmarkt en certificeren van de leeruitkomsten, meer dan benoemen onderwijseenheden. Uit de Pilot moet blijken of die waarde inderdaad een toevoeging is voor de buitenwereld.

Maakt het voor deelname uit of je een bekostigde instelling bent of een NBI?

De Pilot is alleen beschikbaar voor bekostigde mbo-instellingen.

Wanneer komst de dienst van SURF voor ons het mbo beschikbaar?

De dienst edubadges van SURF is onderdeel van de Pilot. De mbo-instellingen die deelnemen aan de Pilot krijgen toegang tot de dienst edubadges.

Wat houdt deelname aan de Pilot concreet in?

Wanneer een mbo-instelling deelneemt aan de Pilot gaan er meerdere activiteiten tegelijkertijd lopen binnen de instelling: het ophalen van leervragen uit de regio, het ontwikkelen van onderwijseenheden die als microcredential kunnen worden uitgegeven, het in systemen organiseren, uitvoeren en vastleggen en uitgeven van microcredentials en de ontwikkelingen rondom communicatie, kwaliteit en borging. Daarnaast verwachten we in de Pilot actieve deelname van de instellingen als het gaat om landelijke uitwisseling, ontwikkeling en borging van microcredentials.

Kunnen we nog aansluiten bij de Pilot? Zo ja, hoe?

Nee, inmiddels is het aanmelden gesloten en is de pilot van start gegaan met 27 deelnemende instellingen. Uiteraard proberen we vanuit Npuls alle instellingen, ook de niet-deelnemers, zo goed mogelijk aangesloten te houden. Informatie over de pilot is op deze site te vinden.

Verhouding microcredential ten opzichte van andere ontwikkelingen

Is er een koppeling met CompetentNL?

Vanuit Npuls is er een koppeling met CompetentNL. Deze relatie krijgt verder vorm onder het thema ‘EduWallet’ van de hub Wendbaar georganiseerd onderwijs, waar het thema ‘Microcrdentials’ ook onder valt.

Wat is de relatie met de Flexibel inzetbare module (FIM), waar een eenheid van 80SBU wordt aangegeven?

Een FIM is een clustering van werkprocessen uit de kwalificatiestructuur mbo. Indien een lerende een deel van een mbo-opleiding volgt en een ‘FIM’ behaalt, kan de examencommissie een mbo-verklaring afgeven met vermelding van het behaalde resultaat van deze FIM. Binnen de Pilot microcredentials gaat het om non-formeel onderwijs en worden leeruitkomsten geformuleerd die geen formele relatie hebben met de kwalificatiestructuur mbo.

Is er een overlap met edubadges?

Een microcredential is een specifieke uitgave van een edubadge. Daarnaast kent edubadges ook ‘reguliere’ badges en ‘extra-curriculaire’ badges.

Hoe verhoudt de ontwikkeling van EduWallet zich ten opzichte van Skillswallet? En hoe zit de aansluiting met edu-V?

Beide vallen buiten de scope van de Pilot microcredentials. Waarbij edu-V echt een ander doel kent.

Verhouding tot de kwalificatiestructuur en andere waardepapieren

Wat is de toegevoegde waarde van een microcredential ten opzichte van mbo-diploma’s, mbo-certificaten en mbo-verklaringen? Hoe verhouden die zich ten opzichte van elkaar?

De doelstelling van microcredentials is snel te kunnen inspelen op de vraag uit het regionale ecosysteem van een onderwijsinstelling. Waarbij wordt beoogd dat een microcredential meer is dan een bewijs van deelname van behaalde onderwijseenheden, maar een herkenbare waarde aan het Leven Lang Ontwikkelenaanbod van instellingen geeft.

Tijdens de pilot is het doel inzicht te krijgen in de mogelijk toegevoegde waarde van microcredentials in relatie tot het formele mbo-onderwijs waarvoor de landelijke kwalificatiestructuur van toepassing is en waarvoor onderwijsinstellingen mbo-diploma’s, mbo-certificaten en mbo-verklaringen mogen afgeven. In de Pilot onderzoeken we of er, naast mbo-certificaten, ook een LLO behoefte bestaat bij lerenden / bedrijven, om leeruitkomsten die geen deel uitmaken van de kwalificatiestructuur ook te erkennen door middel van een microcredential. De Pilot Microcredentials voor het mbo wordt uitgevoerd in het non-formeel onderwijs. In de Pilot wordt onderzocht of mbo-instellingen met microcredentials sneller en wendbaarder in kunnen spelen op snel veranderende en vaak specifieke vragen van professionals en bedrijven uit het regionale ecosysteem van een onderwijsinstelling. De behoeften aan microcredentials wordt binnen diverse sectoren onderzocht. De opgedane ervaringen worden ook benut voor eventuele doorontwikkeling van mbo-certificaten.

Wat is het verschil met een mbo-certificaat dat je voor een keuzedeel kunt ontvangen?

Er zijn overeenkomsten, ook een mbo-certificaat voor een beroepsgericht onderdeel of keuzedeel voldoet grotendeels aan de kenmerken van een microcredential. In de Pilot voor het mbo wordt echter ervaring opgedaan met ontwikkeling van onderwijseenheden voor non-formeel onderwijs die als microcredential uitgegeven kunnen worden. Hiervoor worden een eigen kwaliteitskader en uitgangspunten opgesteld. Het verschil met mbo-certificaten is dat mbo-certificaten formeel onderwijs betreft; voor het verstrekken van een mbo-certificaat is wet- en regelgeving OCW van toepassing. Voor de inhoud zijn de bestaande kwalificatie-eisen leidend. Ook wordt, op voordracht van SBB, op landelijk niveau door OCW vastgesteld voor welke beroepsgerichte onderdelen en keuzedelen de mbo-instellingen een mbo-certificaat kunnen uitreiken. Ten slotte is het kwaliteitskader voor uitvoering van het onderwijs en de examinering vastgelegd in wet- en regelgeving en houdt de inspectie hier toezicht op.

Mag een microcredential binnen het kwalificatiedossier ontwikkeld worden of moet dit juist erbuiten?

Een microcredential wordt ontwikkeld door een onderwijsinstelling volgens een afgesproken kwaliteitskader. De onderwijsinstelling stelt zelf de leeruitkomsten op en neemt hiervoor dus in principe niet de kwalificatie-eisen over, zoals die in een kwalificatiedossier te vinden zijn. In de Pilot gaat het voornamelijk om onderdelen die (nog) niet in de kwalificatiestructuur zitten.

Kan je microcredentials stapelen tot een diploma?

Dit is niet het doel van pilot microcredentials voor het mbo. In de pilot worden microcredentials voor het non-formeel onderwijs ontwikkeld die primair gericht zijn op nieuwe en actuele vragen uit het ecosysteem van een mbo-school waar men snel en wendbaar op inspeelt. Het kan wel zo zijn dat wanneer de lerende naar een mbo-instelling gaat, voor een diplomagericht traject, hij op basis van eerder behaalde microcredentials een vrijstelling kan aanvragen. Wanneer deze microcredentials (deels) met de kwalificatie-eisen overlappen kan de examencommissie deze vrijstelling verlenen. In de pilot voor het mbo is het doel van microcredentials om vragen vanuit de arbeidsmarkt te beantwoorden, niet om bestaande kwalificaties in modules op te knippen.

Afsluiting: validering en examinering

Hoe verhouden microcredentials zich tot de mogelijkheden van Lerend kwalificeren?

Leren kwalificeren is een manier van afsluiten (examineren). Deze werkwijze kan uiteraard ook toegepast worden in de wijze waarop een microcredentials wordt afgesloten en de lerende aantoont de leeruitkomsten te beheersen.

Hoe wordt een microcredentials afgesloten? Met een conventioneel examen?

Dit staat de mbo-instelling vrij om binnen het in de pilot opgestelde kwaliteitskader te bepalen op welke wijze de lerende aantoont de leeruitkomsten te beheersen. Dat kan met een conventioneel examen, maar bijvoorbeeld ook door lerend kwalificeren. Dit is mede afhankelijk van de visie en keuzes die de mbo-instelling maakt.

Hoe gaan we om met het waarderen van non- en informeel leren?

Ook in het kader van microcredentials kan het zijn dat de lerende bewijsstukken meeneemt die (deels) aantonen dat hij/zij de leeruitkomsten beheerst. Op basis hiervan kan vrijstelling worden verleend.

Kan een microcredential volledig in het werkveld behaald worden? Met andere woorden: waarbij het werkveld de leeruitkomsten valideert?

Binnen de Pilot wordt een microcredential uitgegeven door een mbo-instelling. Daarbij is het mogelijk dat het onderwijs gericht op het behalen van de leeruitkomsten zodanig is ingericht, dat deze (grotendeels) plaatsvindt in het werkveld.

Betrokkenheid van het bedrijfsleven

Waar kan ik voorbeelden vinden van microcredentials?

In de catalogus van de dienst edubadges staan nu alle microcredentials die zijn uitgegeven in de pilot microcredentials van het hbo/wo.

We stellen dat microcredentials die door onderwijsinstellingen worden afgegeven geldig en betrouwbaar zijn. Maar hoe kan een bedrijf uit Haarlem nagaan of een in Leeuwarden behaalde microcredential daadwerkelijk bestaat en door de student is behaald?

In de Pilot wordt gewerkt met de dienst edubadges om de microcredentials uit te geven. Deze dienst regelt de verificatie van ontvangers en verificatie van uitgevende instellingen, waardoor betrouwbaarheid geborgd is.

Wordt het bedrijfsleven ook bij de pilot betrokken?

De mbo-instellingen die meedoen aan de pilot worden gevraagd om met hun regio te komen tot relevante microcredentials. Hierbij kunnen ook bedrijven, gemeentes en andere onderwijsinstellingen worden betrokken, zowel bij de totstandkoming als bij de uitvoering ervan. Daarnaast kan het werkveld betrokken zijn bij de afsluiting van de microcredential, door (mede) te boordelen of de lerende de leeruitkomsten in voldoende mate beheerst.

Overig

Hoe zit het met eventuele wildgroei? Is er ergens grip op het aantal microcredentials en de inhoud daarvan?

De Pilot moet uitwijzen in hoeverre hier sprake van is en in hoeverre dit een probleem is dat opgelost dient te worden en wat mogelijke oplossingen kunnen zijn.